Jan Zumbrink prijs #5 2009 – 2013

15 juni t/m 28 juli 2013


Foto: Harrie Peters

De winnaars 2013: Elise ’t Hart en Frank Meppelink

Een tentoonstelling in De Vishal in samenwerking met de HKU
Met werk van de voorgaande prijswinnaars: Mo Arab, Jasper Griepink, Martien van den Hoek, Sofia Montenegro, F.C. Rus, Coen Schoonhoven, Bas van der Wal, Jolijn de Wolf.En met werk van de genomineerden van 2013:
Erna Basten, Margriet van Breevoort, Kim van Erven, Elise ’t Hart, Doenja Likumakua, Frank Meppelink, Nici Metselaar, Guy Vording.
Jan Zumbrink stierf in 2004. Hij was een bevlogen Haarlemmer, kunsthistoricus en kunstcriticus. Zijn vrouw verkocht na zijn dood werk uit hun kunstcollectie en maakte met de opbrengst de Jan Zumbrink prijs mogelijk. Jaarlijks wordt deze prijs uitgereikt aan twee veelbelovende afstudeerders van de HKU. Dit jaar zal dat voor de 5e keer plaatsvinden. De Vishal viert dit lustrum met een bijzondere tentoonstelling waarbij zichtbaar wordt wat er nu speelt in de hedendaagse kunst maar waarbij ook naar de toekomst wordt gekeken.

Gastcurator: Harrie Peters, Beeldend kunstenaar en Faculteitsvoorzitter HKU, Beeldende Kunst en Vormgeving.

Hieronder de voordracht van Michiel Westbeek die werd uitgesproken tijdens de opening:

Over kunstkritiek – Voordracht bij de Jan Zumbrinkprijs 2013
In many ways the work of a critic is easy. We risk very little, yet enjoy a position over those who offer up their work and their selves for our judgement. We thrive on negative criticism, which is fun to write and to read. But the bitter truth we critics must face is that in the grand scheme of things the average piece of junk is more meaningful than our criticism designating it so.
Degenen onder u met kinderen kunnen vorig citaat mogelijk herkennen. Het is de slotmonoloog uit de Disneyfilm Ratatouille. Deze visie op de rol van de criticus kom ik steeds vaker tegen in mijn dagelijkse leven. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ook een significant aantal van mijn studiegenoten het fenomeen critici geen overdreven warm hart toedraagt. Nadat ik een keer mijn mening had gegeven over het werk van een medestudent – ik was niet geheel en al positief – beet deze me toe dat ik zelf ook niet kan schilderen en dat ik maar ‘een kunstcriticusje’ moest worden later.
Het gaat me er natuurlijk niet om om over dit voorval mijn beklag te doen, maar om u te wijzen op de vooronderstelling die in deze reactie verborgen zit: dat de criticus iemand is die niet in staat is zelf iets te produceren en alleen kan kannibaliseren op het werk van anderen, door er zijn mening over te geven.
In dit licht moet ik ook denken aan Stephen Fry, de Britse komiek, schrijver en presentator, die zich een criticus aan de hemelpoort voorstelde. Petrus: ‘En wat heeft u gedaan in uw leven?’ Antwoord: ‘Ik heb gekeken wat andere mensen deden en daarna gezegd wat er verkeerd aan was.’ Zo geformuleerd klinkt het inderdaad niet als een prestatie van formaat.
Toch wil ik het graag opnemen voor de criticus. Van alle spelers in de kunstwereld – kunstenaars natuurlijk, maar ook galeristen, curatoren, museumdirecteuren, collectioneurs en collectiebe-heerders – is de criticus de enige die belangeloos de dialoog met de kunstenaar aangaat. Hij hoeft er geen geld aan te verdienen, hij hoeft er de concurrentie niet mee aan te gaan, hij kan er net zo vrij naar kijken als de bezoekers van een tentoonstelling, alleen onderscheidt zich (in het beste geval, althans) door zijn expertise en betrokkenheid.
Aan het nut van deze twee zaken wordt vaak getwijfeld tegenwoordig, in het huidige kunstparadigma van ‘anything goes’. Als er geen regels zijn, zal er ook niets zinnigs over te zeggen zijn, is de veronderstelling. En, grotendeels ook dankzij het verkeerd interpreteren van de grote Duitse vetsmeerder en wasknijper Joseph Beuys, is het idee ontstaan dat iedere mening over kunst evenveel waard is.
Tegen dit laatste, de kunstkritiek kapotnivellerende, waanbeeld, breng ik altijd graag het volgende argument in stelling. Ik woon in een studentenhuis waar altijd voetbal aan staat in de woonkamer. Ikzelf heb daar compleet geen verstand van en wanneer ik tijdens een wedstrijd mijn mond opendoe wordt mijn bijdrage aan de conversatie steevast beantwoord met hoongelach. Blijkbaar heb je verstand van zaken nodig om ergens wat over te mogen zeggen, zelfs bij volkssport nummer één. Uitgerekend de kunst zou het enige vakgebied zijn waarvoor iedereen met genoeg parate kennis ter wereld is gekomen.
Hetzelfde geldt voor betrokkenheid. Als mijn ex mij vroeg wat ik van haar kleren vond, antwoordde ik altijd verkeerd. Want ik zie niet welke kleuren bij elkaar passen of juist vloeken en het interesseert me eerlijk gezegd ook geen reet. Ik maakte me enkel zorgen of haar kleren warm genoeg waren en dacht daarmee een goede vriend te zijn. Ik was niet betrokken, daarom is het nu ook mijn ex.
Kennis en betrokkenheid zijn in alle gebieden van het menselijk leven belangrijk, dus ook in de kunst.
Op internet is de houding tegenover kritiek nog vreemder en hoogst tegenstrijdig. Aan de ene kant waant iedereen – beschermd door een alias – zich een criticus en steekt zijn mening bepaald niet onder stoelen of banken, zoals goed te zien was tijdens het gedoe om het Koningslied. Een fervent twitteraar op tv zei dat ‘iedereen zich voor even een amateur-Hans-Teeuwen’ kon voelen door de makers op, toegegeven, kleurrijke wijze een spoedig einde te wensen. Dat is allemaal prima, maar met het werk van een criticus heeft dit natuurlijk niets te maken. Dit lijkt meer op het kinderlijke verlangen om midden op straat heel hard ‘poep’ te roepen.
Aan de andere kant hebben we fenomenen als Lost Painters. Een weblog over kunst met een naam als van een heavymetalband uit Steenwijk met griep. In een prachtige bijdrage kaartte Hans den Hartog Jager het totale gebrek aan kritiek binnen de ‘recensies’ op de website aan. Hij concludeerde dat mensen blijkbaar niet zitten te wachten op kritiek. En zijn stuk werd dan door aardig wat lezers beloond met reacties in de trant van: ‘azijnpisser’. Niek Hendriks, de maker van de website – en dikke kans dat hij hier is – was het roerend met Hans eens en had, zoals gebruikelijk, weer geen kritiek. Wat er overblijft is een volledig zouteloos bulletin waar geen enkele betrokkenheid uit spreekt. Eenheidsworst, waar alles uitgefilterd is wat wie dan ook tegen de schenen zou kunnen schoppen.
Samenvattend kunnen we zeggen dat de rol van de criticus belangrijk is omdat hij of zij belangeloos de dialoog met de kunstenaar aan kan gaan, vanuit betrokkenheid en kennis van zaken, waardoor zijn mening zich ook onderscheidt van die van Jan Publiek (wij, dus).
The bitter truth we critics must face is that in the grand scheme of things the average piece of junk is more meaningful than our criticism designating it so. But there are times a critic truly risks something and that is in the discovery and defense of the new.
De laatste regel uit Ratatouille werpt tenslotte weer een nieuw licht op de zaak. Naast alles wat hiervoor al gezegd is over de criticus, is hij of zij ook één van de belangrijkste personen die jong talent kunnen ontdekken, aanmoedigen, laten zien en verdedigen. In dat licht zijn we vandaag ook bij elkaar en draag ik met veel plezier de microfoon over aan Titus Nolte die de uitreiking voor zijn  rekening zal nemen. Dank voor uw aandacht.