Constructing Identity

9 april t/m 15 mei 2011

Toon Berghahn, Maurice Braspenning, Cécile van Hanja, Mischa Rakier, 
Marjolein Rothman en Eefje Versteegen

Gastcurator: Cécile van Hanja

constructing identity

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Constructing Identity toont het werk van zes kunstenaars die geïnteresseerd zijn in de rol die architectuur speelt bij het vormen van ideeën over onszelf en de wereld. Wij begeven ons in gebouwen, bewegen in de tussenruimte die door gebouwen wordt bepaald, bezoeken musea en monumenten. Het landschap, door de eeuwen heen gevormd, bepaalt de identiteit van haar bewoners en gebruikers. Vaak is architectuur een uiting van identiteit, zoals bijvoorbeeld goed te zien is aan de imposante paleizen en buitenverblijven die koningen voor zichzelf lieten bouwen als onbetwiste zetels van status en macht. Een hedendaags equivalent daarvan is de architectuur die overheden en multinationals zich laten aanmeten door sterarchitecten op toplocaties. Maar ook andere, meer ideologische beweegredenen, zoals die bijvoorbeeld aan het modernistisch bouwen ten grondslag liggen, zijn terug te voeren op een bepaalde maatschappelijke stratificatie en daarmee identiteit.

In de tentoonstelling Constructing Identity komen verschillende houdingen ten opzichte van de rol die architectuur in onze maatschappij speelt samen. De beleving van anonimiteit en vervreemding, gekoppeld aan de moderne of hedendaagse stad, is terug te vinden in het werk van Eefje Versteegen, Maurice Braspenning en Cécile van Hanja. In het werk van Toon Berghahn, Mischa Rakier en Marjolein Rothman zijn het de idealen die hun uitdrukking hebben gevonden in de architectuur uit het (recente) verleden die worden bevraagd. Personen zijn in het werk nagenoeg afwezig. Toch is het uiteindelijk de mens die hier het onderwerp vormt; diens ingrijpen, aanpassing en beleving van de wereld om hem heen bepalen wie hij was, is en zal worden.

Marjolein Rothman (1974) heeft een reeks monumenten en monumentale gebouwen geschilderd, waaronder de tombe van Napoleon in Parijs en de ‘Engelenburcht’ in Rome. Bouwwerken die werden gemaakt om de grootsheid van hun opdrachtgevers te onderstrepen en publiekelijk te bestendigen. Maar door de manier waarop de voorstellingen zijn weergegeven – gefragmenteerd, open, haast incompleet – verworden deze imponerende, monumentale bouwwerken tot transparante beelden van macht en onmacht. Specifieke culturele symbolen worden in het werk gedeconstrueerd en binnen een andere dan hun gebruikelijke context geplaatst. Zo heeft Rothman naast gebouwen ook officiële portretten en religieuze iconen geschilderd. Net als bij de monumenten lijkt de persoon hier zelf nog slechts een bijrol te vervullen. De iconografie van het beeld en haar betekenis bij het vormen van een gemeenschappelijk ideaal wordt daarmee bevraagd. Rothmans schilderijen nodigen ons uit opnieuw te kijken naar iconische beelden uit de geschiedenis; voorbij het symbool, naar de mogelijkheid om zelf aan het leven vorm te geven.

Een soortgelijke fascinatie voor de grootsheid van architectuur en de verschuiving van haar eens imposante, autoritaire voorkomen naar een meer marginale en veranderde positie in het heden is terug te vinden in het werk van Mischa Rakier (1970). Sinds een aantal jaren onderzoekt hij de staat en positie van monumentaal erfgoed aan de hand van heritage sites en de manier waarop door de tijd heen met deze architectuur is omgesprongen. Naar hoe gebouwen vroeger werden gerestaureerd en geconserveerd, en op welke wijze historische plaatsen en monumenten tegenwoordig worden beheerd en opengesteld voor het publiek. In een uitdijende serie zwart-wit tekeningen brengt Rakier deze ‘gemedieerde’ architectuur steeds verder in kaart. In zijn monumentale wandschilderingen en ruimtelijke ingrepen die gebruik maken van spiegeling en reflectie, neemt het beeld echter de bestaande architectuur letterlijk over, waarbij de gerepresenteerde werkelijkheid verwordt tot abstract patroon of vice versa. Zijn werk lijkt daarmee te zeggen: Hoe wij als beschouwer en gebruiker betekenis vaststellen en daar mede onze identiteit aan ontlenen wordt niet enkel en alleen bepaald door de architectuur en de initiële boodschap die de opdrachtgever en architect zelf wilden overbrengen. Zowel beeld als identiteit zijn in feite een constructie.

In het werk van Maurice Braspenning (1968) speelt het verval van moderne architectuur steevast een rol. Auto’s en vliegtuigen zijn verongelukt, interieurs zijn opengewerkt en verworden tot exterieurs. Dit spel van openbreken voert Braspenning tot in het extreme door. Niet alleen de voorstelling, maar ook de beelddrager zelf wordt aangetast door zaagsneden en boorgaten, zodat de ruimte in en achter het werk zichtbaar wordt en meespeelt in, en nieuwe betekenissen verleent aan, de picturale ruimte. Representatie versus het objectmatige, binnen – buiten, positief – negatief: het werk van Braspenning is een gelaagd amalgaam van dichotomieën. Aan de weergegeven architectuur kan nooit een eenduidige betekenis worden verleend, laat staan een eenduidige identiteit worden gekoppeld.

Toon Berghahn (1970) schildert filmische landschappen, waarin desolate modernistische gebouwen getuigen van een in verval geraakte utopie. Zijn voorstellingen lijken telkens eenzelfde frictie bloot te leggen; de sereniteit en stilte van het landschap contrasteert met de beklemmende notie van door mensen gemaakte structuren; het landschap is verstoord. Sinds twee jaar schildert Berghahn ook binnenruimtes, zoals een lege vergaderzaal of het kale interieur van een lutherse kerk. De weergegeven architectuur laat daarbij op subtiele wijze de ‘menselijke constructie’ achter de religieuze beleving zien. Onlangs verscheen een serie museumzalen van zijn hand. De kunstwerken in deze museale ruimtes verwijzen nog slechts marginaal naar de iconen uit de modernistische traditie, want ze zijn geheel verzonnen door de schilder zelf. Alles is hier in feite fictie geworden. Berghahns houding ten opzichte van de beelden die hij kiest lijkt tweeledig; weliswaar zijn pogingen van de mens om een gemeenschappelijk ideaal vorm te geven vaak tevergeefs gebleken, toch valt aan diens ingrijpen niet te ontkomen.

Het werk van Eefje Versteegen (1976) laat eenzelfde schijnbare tegenstelling zien. Zij schildert desolate landschappen die baden in een haast onwerkelijk licht, maar die tegelijkertijd zijn getekend door straatbelijning, betonnen trottoirs en vluchtheuvels. Het verlangen dat in deze werken zichtbaar wordt lijkt niet te rijmen met het hedendaagse landschap waarop zij is geprojecteerd. Versteegen omarmt echter de stedelijke omgeving met al haar lelijkheid en troosteloosheid en laat ons deze wereld, letterlijk, in een nieuw licht zien. In hoeverre urbane architectuur hiervan oorzaak of gevolg is, blijft open voor discussie, maar Versteegen toont ons wat de moderne stad heeft voortgebracht: eenzaamheid als onuitroeibaar symptoom van de moderne menselijke conditie.

Cécile van Hanja (1964) onderzoekt in haar schilderijen de invloed die het publieke domein heeft op de private levenssfeer. Het hectische leven in een grootstedelijke omgeving vormt daarbij zowel een tegenpool van, als een inspiratiebron voor, het maken van werk in de studio, welke als metafoor kan worden beschouwd van de innerlijke, particuliere belevingswereld. Van Hanja is daarbij met name gefascineerd door de anonieme uitstraling van zoveel op de Nieuwe Zakelijkheid gebaseerde architectuur met haar repeterende façades van glas en beton. Zij verbeeldt een geometrisch wereld vol suspense door een gelaagd, veelkleurig labyrint van vlakken en doorkijkjes te schilderen, waarbij het op een gegeven moment niet precies meer duidelijk is wat nog binnen of buiten is; waar we deel van uitmaken of juist buitengesloten van zijn. In hoeverre wij als mens kunnen doordringen in deze anonieme, geconstrueerde omgeving en ons deze daadwerkelijk eigen kunnen maken, blijft dan ook de vraag. Een kwestie van identiteit?